BASE Advocaten - The Litigation Firm

Ontbindingsvergoeding blijft verschuldigd na overlijden werknemer

Arbeidsrecht 12 februari 2015

Werknemer is op 1 juni 1983 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Domijn. Wegens het functioneren van werknemer heeft Domijn in juni 2009 te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Na overeenstemming hebben partijen een pro-forma ontbindingsverzoek ingediend bij de Kantonrechter Enschede, waarbij de ontbindingsdatum is bepaald op 1 april 2010 met toekenning van een vergoeding ad f 66.000,=. De beschikking is op 31 augustus door de kantonrechter afgegeven. Op 30 december 2009 is werknemer overleden. Domijn heeft voor de erven van werknemer diverse financiële voorzieningen getroffen krachtens de cao. De erfgenamen hebben onder meer gevorderd dat Domijn wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van f 65.952,= bruto, primair op grond van de tussen partijen (erflater en Domijn) gesloten beëindigingsovereenkomst en subsidiair op grond van de door de kantonrechter afgegeven ontbindingsbeschikking. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Het hof heeft de vorderingen afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van het voorgestelde onderdeel wordt vooropgesteld dat aan een ontbindingsbeschikking als bedoeld in art. 7:685 BW niet slechts rechtskracht, althans rechtsgevolg toekomt indien de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog steeds bestaat, want dan zou aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel rechtskracht kunnen worden ontzegd door in een volgend geding te doen vaststellen dat deze uitspraak geen rechtskracht heeft verkregen of dat de rechtskracht daaraan is ontvallen omdat de grondslag waarop de uitspraak berustte, is weggevallen. Dat is onverenigbaar met het gesloten stelsel van de in de wet geregelde rechtsmiddelen (vgl. HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2308, NJ 1997/380 en HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220).

Indien het hof heeft geoordeeld dat een ontbindingsvergoeding slechts verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst op het in de ontbindingsbeschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog bestaat, heeft het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof heeft bedoeld dat de ontbindingsbeschikking zo moet worden begrepen dat geen ontbindingsvergoeding behoeft te worden betaald indien de arbeidsovereenkomst voor 1 april 2010 door een andere oorzaak is geëindigd, geeft dat oordeel evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In dat geval heeft het hof miskend dat de eis van rechtszekerheid meebrengt dat een dergelijke uitleg alleen gerechtvaardigd is indien in de ontbindingsbeschikking is bepaald dat de daarin toegekende vergoeding slechts verschuldigd zal zijn indien de arbeidsovereenkomst op de datum met ingang waarvan wordt ontbonden nog bestaat, dan wel indien die beschikking in die zin moet worden begrepen omdat in de daaraan ten grondslag liggende beëindigingsovereenkomst een voorwaarde van die strekking is opgenomen. Het onderdeel slaagt dus. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu noch in de ontbindingsbeschikking, noch in de beëindigingsovereenkomst is bepaald dat de vergoeding slechts verschuldigd zal zijn indien de arbeidsovereenkomst op 1 april 2010 nog bestaat, is de vergoeding verschuldigd, ook al is de arbeidsovereenkomst door het overlijden van erflater eerder dan op die datum geëindigd. Het vonnis van de kantonrechter dient dan ook te worden bekrachtigd.

NOOT
Het gesloten stelsel; én én?
1. In casu staat de vererfbaarheid van de ontbindingsvergoeding ter discussie. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010. Op 31 augustus 2009 is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst (pro forma) beschikt tegen voornoemde einddatum, onder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Werknemer overlijdt vervolgens op 30 december 2009, derhalve vóór 1 april 2010. De erven verzoeken werkgever om de beëindigingsvergoeding aan hen uit te keren, maar werkgever weigert dat.

Voor een minutieuze beschrijving van de vererfbaarheid van de ontbindingsvergoeding verwijs ik naar E. Kohne, ‘De één zijn dood, de ander zijn brood? Over de vererving van de ontbindingsvergoeding’ (TAP 2014/99). De voorzieningenrechter (Rb. Almelo 13 september 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BN6922) meent dat de ontbindingsvergoeding niet verschuldigd is nu de ontbinding zou zijn uitgesproken onder de (stilzwijgende) voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst op de beoogde ontbindingsdatum nog zou bestaan.

Nu werknemer vroegtijdig is overleden, is de arbeidsovereenkomst voordien ex art. 7:674 lid 1 BW van rechtswege tot een einde gekomen. Nadien bestond er daardoor volgens de voorzieningenrechter geen arbeidsovereenkomst meer die nog ontbonden kon worden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee de rechtskracht van de ontbindingsbeschikking komen te vervallen en levert executie daarvan misbruik van bevoegdheid op, totdat in een bodemprocedure anders is beslist. De voorzieningenrechter velt tevens een voorlopig oordeel over de door de werkgever aan de nagelaten betrekkingen ex art. 7:674 lid 2 BW betaalde uitkeringen. Hiermee zou werkgever volgens de voorzieningenrechter namelijk aan haar verplichtingen hebben voldaan en zou er verder geen ruimte meer zijn voor een ontbindingsvergoeding, want, aldus de voorzieningenrechter: ‘‘... het is niet én én.’’.

De voorzieningenrechter lijkt in het voorlopig oordeel voorbij te gaan aan het feit dat de uitkeringen aan de nagelaten betrekkingen voortvloeien uit een wettelijke aanspraak die van dwingend recht is: er kan niet ten nadele van de erfgenamen van worden afgeweken. Cao’s willen daar nog wel eens in positieve zin van afwijken, dat is hier ook het geval geweest (drie maanden brutoloon in plaats van één). Saillant detail is dat werknemer hierin zelf geen partij is. Niet valt in te zien dat de wettelijke uitkering aan de erfgenamen op zichzelf in de weg zou kunnen staan aan vererving van de ontbindingsvergoeding. Dat meent ook de Rechtbank Almelo in de bodemprocedure (20 september 2011, niet gepubliceerd), die de vordering van de erfgenamen toewijst. Het Hof Arnhem- Leeuwarden formuleert zijn arrest (23 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5392) iets anders dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, maar komt wel tot datzelfde resultaat en wijst de vorderingen van de erfgenamen af. De Hoge Raad oordeelt ter zake voor het eerst over deze casuspositie. De Hoge Raad casseert het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. De uitkomst is daarmee dus toch ‘én én’.

2. De Hoge Raad heeft met dit arrest wederom een ‘kraal’ aan de ketting van de vaste jurisprudentie inzake het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geregen (onder andere: HR 27 januari 1989, NJ 1989/588 (Jamin/Geels), HR 21 maart 1997, NJ 1997/380 (SIDO/ Rolf) en 1 april 2011, «JAR» 2011/112 (Flynth/Stoffels)). Dat gesloten stelsel van rechtsmiddelen houdt in dat een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan niet meer aantastbaar is en dus afdwingbaar. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt echter ook dat het rechtsgevolg van de onaantastbare ontbindingsbeschikking in sommige gevallen minder vastligt dan men zou verwachten. In r.o. 3.4.4 van dit arrest wordt namelijk geoordeeld dat de ontbindingsbeschikking kan worden uitgelegd aan de hand van voorwaarden die in de daaraan ten grondslag liggende beëeindigingsovereenkomst zijn opgenomen, voor zover de beschikking die voorwaarden zelf onvoldoende bepaalt. Een opmerkelijke overweging, nu dat betekent dat de rechtskracht van een in kracht van gewijsde gegane ontbindingsbeschikking niet geheel zelfstandig is. De gevolgen ervan worden immers mede bepaald door de uitleg van de eventueel daaraan ten grondslag liggende beëindigingsovereenkomst. Aangezien beëindigingsovereenkomsten door de bank genomen uitgebreider gemotiveerd zijn dan de summiere pro forma ontbindingsbeschikkingen, is hiermee de deur op een kier gezet naar uitleggeschillen van hetgeen in de beëindigingsovereenkomst is bedoeld, om zodoende de ontbindingsbeschikking te kunnen kleuren. De onaantastbare ontbindingsbeschikking maakt dus niet per definitie een einde aan het geschil.

Anderzijds is het staande praktijk dat de bee¨indigingsovereenkomst het ‘spoorboekje’ voor partijen is bij de invulling van de pro forma ontbindingsprocedure en dito ontbindingsbeschikking. Grote gevolgen zal dit vooralsnog dus nog niet hebben, zeker niet nu de pro forma praktijk vandaag de dag nog maar van geringe betekenis is. Dat gezegd hebbende gaat de pro forma praktijk onder de nieuwe Wet Werk en Zekerheid (WWZ) een nog onzekere toekomst tegemoet. De Memorie van Toelichting bij de WWZ lijkt de pro forma praktijk niet uit te sluiten. Verburg ziet daarin zelfs ruimte voor een mogelijke terugkeer van de formele ontbindingenpraktijk (zie L.G. Verburg, ‘Schikken in het nieuwe ontslagrecht: bedenk eer ge begint’, ArA 2014/13, p. 14). Het verschil met het huidige stelsel is wel dat het appelverbod van art. 7:685 lid 11 BW onder de WWZ niet terugkeert. Er is onder de WWZ dus appel en cassatie van (pro forma) ontbindingsbeschikkingen mogelijk. Het is dan nog maar de vraag wat de toegevoegde waarde van de pro forma procedure onder de WWZ zou kunnen zijn.

3. In dit kader is ook de overweging van de Hoge Raad interessant dat in een ontbindingsbeschikking een voorwaarde opgenomen kan zijn met betrekking tot de verschuldigdheid van een ontbindingsvergoeding. Die voorwaarde kan zijn dat een ontbindingsvergoeding slechts verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst nog bestaat op de datum met ingang waarvan wordt ontbonden. Het is niet mijn bedoeling om hier de discussie over de voorwaardelijkheid van de ontbindingsbeschikking te openen (zie daarvoor onder andere de uitvoerige annotatie van P.L.M. Schneider bij het in casu aan cassatie onderworpen arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2013, «JIN» 2013/170). Het gaat mij juist om het feit dat de Hoge Raad hier illustreert hoe er in de praktijk met een dergelijk beding kan worden omgegaan. Kohne merkt over zo’n beding – dat de ontbindingsvergoeding onoverdraagbaar maakt – op, dat daarvan – voor zover haar onderzoek reikt – geen gebruik wordt gemaakt (zie E. Kohne, ‘De één zijn dood, de ander zijn brood? Over de vererving van de ontbindingsvergoeding’, TAP 2014/99, p. 181, stap 4). Mijn ervaring is echter dat een afgeleide van zo’n beding door oplettende werkgevers wel degelijk regelmatig wordt toegepast. In de beëindigingsovereenkomst wordt dan bijvoorbeeld een bepaling opgenomen die uitkering van de bee¨indigingsvergoeding bij voortijdig overlijden (danwel ontslag op staande voet) uitsluit. Het oordeel van de Hoge Raad, dat voorwaarden uit de beëindigingsovereenkomst de ontbindingsbeschikking nader kunnen inkleuren, biedt thans ook de mogelijkheid om een dergelijke clausule uit een 3 Jurisprudentie in Nederland februari 2015, afl. 1 «JIN» Arbeidsrecht 1 beëindigingsovereenkomst in de ontbindingsbeschikking ‘te lezen’, waar deze veelal niet in staat. Voor werkgevers is het derhalve zeer aan te raden om in de beëindigingsovereenkomst op te nemen dat de vergoeding alleen verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst ten tijde van het tijdstip waarop deze ten einde zou moeten komen, nog bestaat. Er kan natuurlijk ook worden verzocht om dit op te doen nemen in de ontbindingsbeschikking, maar er is geen zekerheid dat daar ook altijd gevolg aan wordt gegeven. Ontbindingsbeschikkingen worden immers meestal volgens een vast ‘format’ opgesteld.

Het onderhavige arrest van de Hoge Raad zorgt er nu voor dat een dergelijke (onaantastbare) ontbindingsbeschikking, waarin deze voorwaarde ontbreekt, toch inclusief een dergelijke voorwaarde uit de bee¨indigingsovereenkomst mag worden gelezen. Werknemers kunnen er daarentegen belang bij hebben om deze clausule juist niet opgenomen te zien in de beëindigingsovereenkomst danwel ontbindingsbeschikking, zodat de ontbindingsvergoeding (eerder) vererfbaar is. In zijn noot bij dit arrest van de Hoge Raad («JAR» 2014/277) gaat Fruytier nog een stap verder. Hij merkt op dat de overgang van de vergoeding op de erfgenamen vrij eenvoudig te realiseren is door in de vaststellingsovereenkomst en in een eventuele beschikking op te (laten) nemen dat de erven van werknemer bij zijn overlijden aanspraak kunnen maken op de vergoeding (dit wordt ook overwogen in de wenk bij Rechtbank Amsterdam, Kantonrechter Hilversum, 29 augustus 2012 (RAR 2012/152)). Op zich is dat juist, maar bij een dergelijke constructie dient wel rekening te worden gehouden met mogelijke fiscale consequenties van zo’n toezegging. De fiscus kan een dergelijke toezegging namelijk als een ‘aanspraak’ aanmerken, zeker als er een ruime termijn tussen de datum van overeenstemming/ beschikking en de einddatum van de arbeidsovereenkomst ligt. Er ontstaat dan een soort ‘levensverzekering’ die bij voortijdig overlijden van de werknemer tot uitkering komt. De aanspraak op die ‘levensverzekering’ kan worden belast, direct vanaf het moment van overeenstemming/beschikking. Mocht die aanspraak tot uitkering komen door het voortijdig overlijden van de werknemer, dan is die uitkering overigens onbelast.

Aangezien partijen meestal niet om deze fiscale consequenties verlegen zitten, valt het te overwegen om in plaats van die aanspraak te creëren in de beëeindigingsovereenkomst, een separate levensverzekering af te sluiten. Dat geldt natuurlijk alleen indien daar een sterke wens toe is. Mocht deze verzekering onverhoopt nodig blijken, dan kan dit de werkgever uitbetaling van de beëindigingsvergoeding schelen. Deze is dan immers verzekerd. Zeker bij een lange termijn tussen de datum van overeenstemming en die van bee¨indiging, en een hoge bee¨indigingsvergoeding, is dat het overwegen waard. Temeer nu oudere werknemers regelmatig vragen om de beëindigingsvergoeding voor hun erfgenamen veilig te stellen.

R.C. Sies
BASE Advocaten B.V.

Meer informatie

Terug

The Litigation firm

Uw probleem oplossen, zodat u verder kunt met ondernemen. Daar gaat het om. Het is ons vak en onze passie om een zakelijk of arbeidsrechtelijk geschil beheersbaar te maken en op te lossen. Soms kan dat door als advocaat onzichtbaar te blijven en achter de schermen een zo optimaal mogelijk dossier te vormen voor en met u. Een andere keer vraagt een zaak om een aanpak voor de schermen. Diplomatiek waar het kan en agressief waar het moet. En soms is keihard procederen onvermijdelijk. Omdat de grenzen zijn bereikt, omdat een wederpartij niet bereid blijkt tot een constructieve oplossing, of omdat het voor uw reputatie in de markt van belang kan zijn om een streep te trekken.

Maatwerk staat centraal bij de behandeling van iedere zaak. Want we doen het samen, advocaat en cliënt. We investeren in de onderlinge samenwerking en verdiepen ons in uw onderneming en uw markt. BASE maakt duidelijke keuzes uit kracht, omdat we alleen willen doen waar we écht goed in zijn en omdat u altijd moet kunnen rekenen op toegevoegde waarde. Daarom richt onze praktijk zich op Corporate & Commercial Litigation en Arbeidsrecht.

Expertise

Corporate & Commercial Litigation

Bij BASE Advocaten beoefenen we de proces- en conflictmanagement praktijk op het allerhoogste niveau. Wij staan binnen- en buitenlandse cliënten bij in vitale zakelijke geschillen. Geschillen binnen de vennootschap, bestuurdersaansprakelijkheidskwesties, aandeelhouders-geschillen, geschillen over commerciële contracten, overnamegeschillen, geschillen tegen (of voor) financiële instellingen over zorgplichtkwesties en beroepsaansprakelijkheidskwesties. Het zijn slechts enkele voorbeelden. Klik hieronder voor meer informatie.

Lees meer

Arbeidsrecht

BASE Advocaten biedt topspecialisten op het gebied van het arbeidsrecht. Wij staan zowel werkgevers (nationaal en internationaal), individuele bestuurders/werknemers, als ondernemingsraden bij. In de dagelijkse praktijk adviseren en procederen wij onder meer op het gebied van ontslag, reorganisaties, arbeidsvoorwaarden, disciplinaire maatregelen, medezeggenschap en werkgeversaansprakelijkheid. Klik hieronder voor meer informatie.

Lees meer
Partner van
logo Erasmus
Vriend van
logo Sophia Kinderziekenhuis
Actueel-detail - BASE Advocaten
Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en u toegang te geven tot onze social media.
Door op akkoord te drukken, gaat u akkoord met ons cookiebeleid.
Akkoord Niet akkoord